Elke gezonde democratie steunt op een gedeelde identiteit van haar deelnemers. Met de Europese verkiezingen en de daarmee traditioneel gepaard gaande desinteresse achter ons, is het raadzaam eens te achterhalen of er nu al dan niet een Europese identiteit bestaat. En daarbij; uit wat bestaat die identiteit dan?

Over identiteiten
Elke groepsidentiteit laat zich met moeite definiëren. Wat echter wel gesteld kan worden is dat elke identiteit zich in twee deelaspecten kan laten opdelen. Langs de ene kant is er het ‘objectiveerbare’ deel van uitingen van die groepsidentiteit, alsmede de factoren waarnaar vanuit de groepsidentiteit continu naar verwezen wordt. Daar tegenover staat het ‘geïncorporeerde’ deelaspect, het besef van de groepsleden om een identiteit te delen met anderen. Een identiteit ‘definiëren’ kan slechts door een analyse van de objectiveerbare factoren, domein waarmee de cultuurfilosofie zich bezig houdt. Daarbij mag echter nooit uit het oog verloren worden dat een deel aan de waarneming ontsnapt en het daadwerkelijke groepsgevoel een belangrijke, doch onbeschreven pijler van een identiteit vormt.
Elke identiteit is gelaagd. Zo worden nationale identiteiten, die de laatste twee eeuwen een steeds belangrijkere rol zijn gaan spelen in de wereldpolitiek, steeds samengesteld uit andere gevoelens van toebehoren. De specifieke samenstelling van enkele verschillende regionale identiteiten kan zodoende een nationale identiteit vormen, evenzeer als er afbreuk aan doen. Dit geldt tevens als we de blik naar boven richten, ook het toebehoren aan een groter geheel van bijvoorbeeld een bepaalde beschaving kan het specifieke van een nationale identiteit benadrukken of ontkennen. Met al deze verschillende mogelijkheden is het aantrekkelijk identiteiten slechts te definiëren door uitsluiting; opsommen dus wat ze niet zijn. Dat is echter een zwaktebod. Als van een identiteit de negatie beschreven kan worden, moet ze evenzeer ‘positief’ beschreven kunnen worden. Bij die beschrijving zullen ongetwijfeld aspecten aan bod komen die gedeeld zijn met andere identiteiten, maar dat hoeft niet te beletten dat hun unieke combinatie een even unieke identiteit kan vormen. Zelfs wanneer alle beschreven aspecten van een identiteit in een uitzonderlijk geval overeen blijken te komen met die van een andere identiteit, kan er sprake zijn van twee verschillende identiteiten, dankzij het onbeschrijfelijke praktische ervaren van die identiteiten.

Een Europese beschaving
Een Europese identiteit lijkt op het eerste gezicht niet prominent aanwezig. De voornaamste oorzaak daarvan ligt m.i. in het gegeven dat men die identiteit vergeet ten voordele van ‘de westerse beschaving’ of ‘het westen’. De westerse beschaving vindt echter haar oorsprong in de Europese traditie, hoewel de Verenigde Staten er dezer dagen het kernland van vormen. We mogen ons zicht hierdoor niet laten vertroebelen in een beschouwing van de Europese identiteit. Alle westerse niet-Europese landen hebben zich dan wel ingeschreven in een traditie die voortkomt uit Europa, waardoor er hier doorgaans veel affiniteit voor bestaat, ze blijven te ver van ons bed en vooral van onze hedendaagse invloedssfeer om deel uit te maken van de Europese identiteit. De sterk vervlochten geschiedenissen van de verschillende Europese naties maken dat er vandaag een zekere intra-Europese verbondenheid bestaat. Ondanks dat de negatieve definiëring van een identiteit zwak is, laat de Europese identiteit zich nog het best zien bij het aanschijn van een niet-Europese beschaving. Vandaar de gevoelsmatige weerstand tegen de toetreding van Turkije, waarvan de rationele argumentatie de identitaire overwegingen nauwelijks kunnen verhullen.
We doen er goed aan de Europese identiteit te doen samenvallen met de Europese beschaving zoals die in Europa bestaat. Het niveau van een beschaving laat zich immers veel beter beschrijven en beïnvloedt de identiteit van de mensen die eronder ressorteren ook in grote mate. Een beschaving is immers meer dan een gedeelde geschiedenis, want die wordt maar al te vaak vergeten. Het is eerder een opeenvolging van culturele en intellectuele uitingen die de samenleving in die mate beïnvloeden dat ze de tijdsgebondenheid overschrijden.
De beschrijving van de Europese beschaving zal zich hoe dan ook moeten toespitsen op de ‘traditie-met-de-grote-t’. Die traditie bevat voornamelijk ‘the best which has been thought and said’ zoals Matthew Arnold het stelde. Een loutere literatuuropsomming zal echter al spoedig te eng blijken. Ook beeldende kunsten en de grote muzikale werken moeten in rekening gebracht worden. Deze traditie heeft het voordeel een erfenis uit te maken die door de eeuwen heen van generatie op generatie overgedragen is geworden en daardoor een tijdloos karakter verworven heeft. De grote traditie bevat immers eeuwige waarheden met betrekking tot het menselijke bestaan en verwijzingen naar het bovenmenselijke. Hierop het begrip ‘hoogcultuur’ plakken kan verantwoord worden, maar dreigt zowel de grote politieke als wetenschappelijke ideeën uit te sluiten. De veranderlijke populaire cultuur die zowel onze beschaving heeft voortgebracht als eruit is voortgekomen is eerder een exponent van praktische identiteitsbeleving en zal ons hier niet verder helpen. De beschrijving ervan in termen van een beschaving zal eerder een historisch of zelfs een ‘folkloriserend’ karakter dragen en kan geen beschouwing over tijdsgrenzen heen leveren.

Canon en kerncurriculum
De Europese identiteit kunnen we dus uitdrukken door het beschrijven van de Europese grote traditie. Deze zal noodgedwongen een canoniek karakter dragen. Noodgedwongen, want met het vastleggen van een canon gluurt het immobilisme om de hoek, terwijl een beschaving doorleeft. Een canon, en daarmee samenhangend een kerncurriculum dat overgedragen kan worden naar volgende generaties om de beschaving verder te zetten, zal dus onvermijdelijk slechts tijdelijk zijn en voor aanvullingen vatbaar. In elke periode zal men aan verschillende onderdelen van de traditie meer belang hechten, maar een zekere kern moet in als belangrijk blijven beschouwd om nog van eenzelfde beschaving te kunnen spreken.
Wat behoort nu tot die traditie? De opsomming die ik hier maak is te beperkt om ernstig genomen te worden, maar het zijn slechts krijtlijnen ter voorbereiding van een groter geheel. Vergeef mij mogelijke incoherentie, maar ik wil vermijden er een cultuurgeschiedenis van te maken en deze opsomming zodoende te degraderen tot ‘louter geschiedenis’.
Het is een open deur intrappen om met de Bijbel te beginnen. De gedeelde christelijke erfenis is een van de stevigste fundamenten van de Europese identiteit, ondanks dat het geloof verscheidene malen aan het wankelen is gebracht. In de christelijke wijsbegeerte zijn de Confessiones van Augustinus evenzeer van groot belang.
Ik had echter even goed kunnen aanvangen bij de boeken Illias en Oddeseya van Homeros. Ze drukken de tragedie van de onveranderlijke ‘condition humaine’ uit en hun invloed blijft tot op de dag van vandaag voelbaar. Vergilius’ Aenesis kan gelden als een andere mijlpaal uit de Klassieke Oudheid. De relatie tussen de Aenesis en de werken van Homeros geven ons trouwens al een goed begrip van wat traditie eigenlijk inhoudt voor een beschaving. Vergilius imiteerde Homeros enerzijds, maar trachtte er anderzijds eigen elementen aan toe te voegen, met als resultaat dat het geen flauwe kopie werd, maar evenzeer een groot werk. Overnemen van voorgangers en vanuit die basis werken om de eigen creativiteit tentoon te spreiden is belangrijk om een traditie levend te houden. Zonder dit vernieuwen blijft een traditie immers star en tot ondergang gedoemd omdat de tijd haar anders voorbij snelt. Als de creativiteit niet meer op basis van de traditie wordt ontwikkeld dreigt anderzijds het verdwijnen van de traditie.
In de Divina Commedia van Dante Alighieri beschrijft de auteur zijn fictieve reis naar het hiernamaals waar hij verscheidene klassieke auteurs ontmoet. Veel verwijzingen naar de klassieke oudheid dus, hoewel het een werk duidelijk christelijk is. Don Quixote van Miguel de Cervantes is één van de grotere werken in het literair genre van de roman. Don Quixote is een figuur van de oude wereld waarin God nog zekerheid gaf, maar die zich niet langer weet te oriënteren in een tijdsvak waarin dubbelzinnigheid en relativisme aan terrein winnen. In Lof der zotheid van Desidierius Erasmus komt de humanistische twijfel over het gangbare mooi aan bod. Nu mogen de meeste stukken en gedichten van Shakespeare wel als klassiek beschouwd worden, maar de twijfel vinden we zeker in zijn Hamlet, om er maar een te noemen. Johann Wolfgang von Goethe’s bewerking van de legende van Faust is nog zo’n literair meesterwerk. Het is een illustratie van de strijd tussen goed (God) en kwaad (de duivel) om de faalbare mens in de gedaante van Faust. Misschien wel de meest recente mijlpaal van onze beschaving vinden we in T.S. Eliot’s The waste land, een gedicht dat een boodschap uitdraagt door middel van ontelbare verwijzingen naar zowel de Europese traditie als naar werken uit andere beschavingen.
Plato’s Politea waarin de filosoof een ‘ideale’ staat schetst is voor wat de politieke filosofie betreft ook onmisbaar in deze opsomming. Een handleiding voor leiderschap van een staat vinden we in Il Principe van Niccolò Machiavelli. Hoewel door de eeuwen heen verschillende malen verketterd wegens de amorele opvattingen, blijkt Machiavelli uitstekend de redeneringen van elke heerschappij te hebben beschreven. Het contractdenken is vandaag haast in alle gelederen van onze samenleving – of beter: ‘maatschappij’ – doorgedrongen. Tot de belangrijkste apologeten ervan horen Thomas Hobbes met Leviathan, John Locke met Two treatises of government en Jean-Jaques Rousseau in Du contrat social. De la démocratie en Amérique van Alexis de Toqueville beschrijft de dynamiek én de daarmee gepaard gaande gevaren van de democratie die vandaag nog dezelfde zijn als die in de Verenigde Staten van de eerste helft van de negentiende eeuw.
Op een algemeen filosofisch niveau is Aristoteles’ Ethica Nicomachea een basiswerk voor wat de deugd betreft. Immanuel Kant’s ‘naadloze kleed’ van zijn Kritik der reinen Vernunft en Kritik der praktische Vernunft duidt op de grenzen van de rationaliteit.
In de muziek wordt het uitfilteren van de belangrijkste werken zo mogelijk nog moeilijker. Johann Sebastian Bach’s Matthäuspassion mag uiteraard niet in de opsomming ontbreken, als treffende uitbeelding van Christus’ lijden. De moeilijke relatie van de mens tot zichzelf en het hogere komt aan bod in de meerdelige opera Ring des Nibelungen van Richard Wagner. Genialiteit straalt echter evenzeer uit Ludwig von Beethoven’s Symfonieën en Franz Schuberts Winterreise. En dan zijn er uiteraard nog de talloze meesterwerken van Wolfgang Amadeus Mozart en vele andere componisten.
De schilder –en beeldhouwkunst puilen uit met werken die universaliteit uitstralen. De Venus van Milo bijvoorbeeld, met als mannelijke tegenhanger de David van Michelangelo. De fresco’s van dezelfde kunstenaar in de Sixtijnse kapel te Rome zijn van eenzelfde niveau. Bij de opsomming van belangrijke schilderijen kunnen we vaak uit onze eigen streek putten. Het portret van de Arnolfini’s door Jan Van Eyck verdient bijvoorbeeld een plaats, net als de Kruisoprichting –en afneming van Peter Paul Rubens. In De Eed van de Horatii van Louis David zien we dan weer op prachtige manier heldendom uitgebeeld. Als we hierbij ook nog de architectuur rekenen kunnen we niet heen om de Atheense Acropolis, het Colosseum van Rome en de kathedraal van Reims.
Als voorbeeld van een belangrijk wetenschappelijk werk uit onze traditie kunnen de Principia van Isaac Newton, De revolutionibus orbium coelestium van Nicolaus Copernicus en On the origin of species van Charles Darwin dienen.

Problemen van de canon
Nu deze verre van volledige opsomming is ‘vastgelegd’ kunnen we ons afvragen op welke manier we ze kunnen inzetten ter verdediging van de Europese identiteit. Een concreet ‘argumentarium’ reikt de canon inderdaad niet aan. Het is dan ook zeer aantrekkelijk hem te verwerpen en ons in discussies over de Europese identiteit te beperken tot principes die onze huidige toestand beschrijven. Enkele van die principes die vaak komt bovendrijven in de omschrijving van onze beschaving zijn ‘de scheiding tussen kerk en staat’, ‘respect voor de mensenrechten’ en ‘democratie’.
Het gebruik van deze principes als wapen tegen een bedreiging van onze identiteit is een gevaarlijk spel. Ze beschrijven immers slechts het heden van onze beschaving, en dreigen daarmee ons verleden af te doen als niet toebehorend aan onze identiteit. In kunsttermen spreekt men in zo’n geval van kitsch; het object an sich beschouwen zonder de verwijzing naar het hogere niveau, i.e. de traditie of het religieuze in rekening te brengen. De scheiding tussen kerk en staat wordt heden ten dage hoog in het vaandel gedragen, doorgaans in een anti-islamdiscours, maar wilt dat zeggen dat we een grote en cultureel zeer vruchtbare periode uit de geschiedenis zomaar moeten verwerpen? Uiteraard niet, want zo hollen we onze beschaving alleen maar uit. We moeten onze geschiedenis integendeel op een gezonde manier omarmen net omdat onze traditie er is uit voortgekomen. En dat omarmen bevindt zich op een hoger niveau dan dat van het argument. Het is het niveau van de toe-eigening, de vanzelfsprekendheid of om het als een knuppel in het politiek-correcte hoenderhok te stellen: het vooroordeel. Een beschaving kan maar blijven bestaan als haar traditie overgedragen en aangevuld wordt. En daarvoor dient de traditie steeds door tenminste een maatschappelijke elite als vanzelfsprekend beschouwd te worden en daarbij uiteraard ook degelijk gekend te zijn. Een canon dient dan ook in de eerste plaats als richtlijn om scholieren en studenten de Europese traditie eigen te doen maken.
Het loutere feit echter dat een canon neergeschreven dient te worden duidt al op een verlies van vanzelfsprekendheid. Gewone consensus is duidelijk niet meer voldoende om de traditie over te dragen, want als we rondom ons kijken zien we al dat het merendeel van de studerende jeugd bovenstaande werken niet meer als belangrijk beschouwt. Of in het beste geval evenwaardig aan minder waardevolle elementen uit de hedendaagse cultuur. En net in het teloorgaan van het gezag van de grote Europese traditie schuilt het grootste gevaar voor het verdwijnen ervan. Niet door allerlei externe factoren waarover nog discussies gevoerd moeten worden. De Europese identiteit bestaat nog, maar verkeert in haar herfsttij. Als we onze beschaving willen behouden zullen we in de eerste plaats moeten zorgen dat de traditie wordt overgedragen en mogen we ons zeker niet van vijand vergissen. Want die vijand zit in onze eigen beschaving in de vorm van relativisme, en komt slechts in zeer kleine mate uit ander beschavingen.
Met een aanval op het relativisme loeren starheid en ongezond dogmatisme om de hoek. Onze traditie leert ons echter evenzeer dat men van tijd tot tijd dogma’s moet kunnen relativeren om de twijfel ingang te doen vinden, zoals bijvoorbeeld door Lof der Zotheid. Uit de lach kan zo het betere denkwerk ontstaan, absolute voorwaarde om de traditie nieuwe impulsen te geven. De culturele geschiedenis van Europa is er dan ook een van een constante evenwichtsoefening tussen dogmatiek en relativisme. Algemeen kunnen we stellen dat de cultuur pas bloeide bij het volgen van de gulden middenweg tussen de twee. En dat is in onze tijd niet anders. Op deze weg, met de canon als ruggensteun, kunnen we dan ook Europa weer tot de belangrijkste culturele speler maken van de westerse beschaving.

Vbr. Stud. hist. Peter Moelans v. Buddy

Advertenties